Klokkenluiders
Misschien merkte u het gisteren op: de kerkklokken luidden. Midden op de dag, om één uur. Niet alleen hier in Amersfoort, maar in het hele land. Een roep tot ommekeer. Tot inkeer was het. Een oproep tot medemenselijkheid – tot zachtheid in onze harten, en in het bijzonder bij politici.
De Eerste Kamer stemde gisteren namelijk over nieuwe asielwetten, waaronder de strafbaarstelling van mensen zonder papieren.
Samen met alle klokkenluiders hopen wij dat gekozen wordt voor wetgeving die de menselijke waardigheid erkent en de meest kwetsbaren juist beschermt.
Want, simpele spierballentaal – ‘wie niet mag blijven, moet vertrekken’ – doet geen recht aan de werkelijkheid. Wie blijft roepen ‘Streng, strenger, strengst, hard, harder hardst’ ontmenselijkt wie gevlucht is. Achter ieder schuilt een verhaal van verlies, van angst, wanhoop en van hoop. Vluchten is zelden een keuze; het is meestal een laatste uitweg van mensen die vanwege hun geaardheid, vanwege een schrikbewind, vanwege honger of dorst, vanwege hun kleur, hun geloof niet veilig zijn op de plek waar ze werden geboren.
Soms sta ik bij het hek van Kamp Zeist. Iedere eerste zondag van de maand is er een wake om half vijf. Bij mensen die zonder strafblad achter slot en grendel zitten. Bij levens die al zo diep zijn getekend. En dan schaam ik mij. Dat wij in ons land mensen opsluiten, enkel omdat zij niet de juiste papieren bij zich hebben. Misschien kregen ze deze nooit of raakten ze die onderweg kwijt.
De Bijbel kent een duidelijke rode draad: heb de vreemdeling lief. Bied onderdak aan wie in nood is. Niet in een gevangenis, maar op een plek waar iemand zich gezien weet. Waar ruimte is om mens te zijn.
In een open brief waarschuwden bisschop Gerard de Korte en scriba Erik van Ekris onlangs dat een verhard asielbeleid niet alleen anderen schaadt, maar ook onszelf. Een samenleving die zich laat leiden door angst en wantrouwen, verliest iets wezenlijks. Verharding naar buiten toe, werkt door naar binnen, daar ben ik van overtuigd.
Hoe zou onze wereld eruitzien als we ons vaker realiseren dat we hier allemaal te gast zijn? Gastmensen luisteren. Ze laten zich raken, ook door verhalen die schuren. Ze oordelen minder snel en vragen langer door. Ze weten dat het leven – van henzelf en van de ander – niet vanzelfsprekend is, maar een geschenk. En daar ben je zuinig op.
Misschien is dat wel de kern. Dat we in de ander iets van onszelf herkennen: hetzelfde verlangen naar leven, naar liefde, naar een veilige plek.
‘Hé gast’, zo spreken onze tieners elkaar aan. Het klinkt me ineens heel anders in de oren!
Stadsdominee Marleen Kool
